Column
12-12-2006
Rubriek: OPINIE

Iedereen heeft zo zijn eigen heilige huisjes: onaantastbare concepten die niet bekritiseerd mogen worden. Voor de één is dat de monarchie, voor de ander de multiculturele samenleving. Voor een derde de vrije markt en voor weer iemand anders de verzorgingsstaat. Een heilig huisje dat door iedereen gedeeld lijkt te worden, is de democratie. Principiële kritiek op de democratie is in dit land uit den boze. Alleen de vorm mag ter discussie worden gesteld, de inhoud niet. Dan ben je ondemocratisch en dat is erg.

De term ‘ondemocratisch’ wordt gezien als een afdoende argument. Als je kunt aantonen dat iemands visie ondemocratisch is, heb je het morele gelijk aan je zijde en hoef je verder niet uit te leggen waarom de ander dan fout zit. Waarom? Waarom rust er een taboe op de eeuwenoude discussie over de beste staatsvorm? Waarom moet eenieder verplicht democraat zijn?

Toen een docent op mijn universiteit een lofzang op de democratie hield en ik ook maar enigszins bedenkelijk keek, beet hij mij meteen toe: “Ga dan naar Irak, als het je niet bevalt!”

In uw en mijn belang neem ik u niet mee naar Irak, maar naar het oude Griekenland. Naar Aristoteles om precies te zijn. Deze filosoof zag democratie als een slechte staatsvorm. Aristoteles was niet gebonden aan het denken in termen van absolute gelijkheid. Hoewel hij de gelijkwaardigheid van mensen erkende, was het voor hem vanzelfsprekend dat de samenleving bestond uit ‘beteren’ en ‘minderen’. En de beteren moesten over de minderen regeren.

Aristoteles meende dat de beteren doorgaans eerder bij de aristocratie te vinden waren dan bij de massa. Echter, de rijken zouden (net als de massa overigens; ‘tirannie van de meerderheid’ noemde Friedrich Hayek dat) teveel regeren vanuit hun eigen belang. Aangezien de deugd volgens de Grieken altijd in het midden tussen twee kwaden te vinden is, was de ideale staatsvorm er volgens Aristoteles één waarin de middenklasse het grotendeels voor het zeggen had.

Hun belang valt immers het meest met het algemeen belang te verenigen - en het algemeen belang moet de basis zijn van de regering.

Hoe wijs al deze gedachten ook waren, tegenwoordig staat de democratie (regering door de massa) als gezegd niet ter discussie. Het volk moet eerder meer macht krijgen dan minder, zo is de tendens.

Spreken over ‘beteren’ en ‘minderen’ als het om mensen gaat, is al helemáál niet denkbaar. Daar kan ik me wel in vinden, omdat hieruit weinig respect spreekt voor de medemens. Laten we het daarom over ‘anderen’ hebben. ‘Anderen’ als in: ieder mens heeft zijn eigen kwaliteiten.


Ik kan persoonlijk nog niet eens mijn fietsband plakken of een spijker recht in de muur slaan. En ik heb al moeite genoeg met inparkeren, laat staan dat ik een bus zou kunnen besturen. Ik heb dan ook bijzonder grote waardering voor fietsenmakers en buschauffeurs.

Echter, ik heb ondanks mijn tekortkomingen ook mijn kwaliteiten. Eén daarvan zou kunnen zijn (ik moet het nog bewijzen): de kwaliteit om het land op een goede manier mede te besturen. Niet alle fietsenmakers en buschauffeurs zullen over die kwaliteit beschikken.

Een discussie over de democratie moet dan ook beginnen met het erkennen van de verschillen tussen mensen.

Zodra je dit erkent, is de democratie niet meer vanzelfsprekend. Want waarom zou iemand die niet de kwaliteit heeft om verstandige beslissingen te nemen over de manier waarop het land wordt bestuurd, er toch invloed op moeten uitoefenen?

Natuurlijk, dit probleem is al in grote mate ondervangen door het vertegenwoordigende element van onze democratie. Het volk kiest zijn vertegenwoordigers, kiest als het ware de ‘beteren’ om het land te besturen. En dit werkt over het algemeen vrij behoorlijk. De kiezers kiezen echter vooral op basis van het eigen belang en zijn bovendien in groeiende mate ontevreden. Dit levert grote protestpartijen op, met alle gevolgen van dien. Idealiter zou ik daarom alleen zij die wél in het algemeen belang denken stemrecht willen geven. In mijn vorige column noemde ik dat een moderne vorm van censuskiesrecht.

Ik geef toe, dat is praktisch onhaalbaar. Je kunt op geen enkele manier meten wie dan wel en niet zou mogen stemmen.

De vermeende morele onjuistheid van mijn voorstel bestrijd ik echter. In Nederland mogen kinderen niet stemmen, en kan de rechter iemand zijn stemrecht ontnemen als hij hem geestelijk niet in staat acht te stemmen. Dat vinden wij normaal. We accepteren en begrijpen dat sommige mensen niet in staat zijn een zinvolle stem uit te brengen. Toch gaat men steigeren zodra iemand voorstelt die groep uit te breiden, dat is meteen ondemocratisch. Waarom? Het gaat er uiteindelijk maar om waar je de grens wil trekken.

Ook ik zal nimmer een andere (reeds bekende) staatsvorm dan de vertegenwoordigende democratie bepleiten. Maar ik wil ook de morele vrijheid om te betogen dat het niet een ideaal systeem is. We moeten af van de misplaatste heiligverklaring van de democratie, zodat een gezonde discussie mogelijk is. Laat ik daarom tegen mijn gewoonte in eens het laatste woord gunnen aan een socialist en pacifist. Knoopt u de raad van Bertrand Russell goed in uw oren: “Belief in democracy, like any other belief, may be carried to the point where it becomes fanatical - and therefore harmful.”


[Rubriek: OPINIE] [Stuur ons nieuwstips] [Mail je mening in een brief] [OPINIE-stukken representeren niet per se de mening van de Gay Group] [Redactieprofiel] [©2006 Gay Group]