Column
04-05-2007
Katern OPINIE

Om in alle rust mijn afstudeerscriptie te kunnen schrijven, sluit ik mij sinds kort iedere dag op in de fraaie computerzaal van de rechtenfaculteit van de Universiteit Leiden. Mijn ‘eigen’ faculteit der sociale wetenschappen is namelijk gevestigd in een deprimerend voormalig ziekenhuis. Tot overmaat van ramp heeft men daar de computerzaal gesitueerd in de kelder, die nog deerniswekkender is dan de rest van het gebouw. Ik plan nog liever een vijfdaagse citytrip naar Almere dan dat ik dagelijks in die ruimte zou moeten werken.

Terwijl buiten de opwarming van de aarde zich in al haar heerlijkheid openbaart, verdiep ik mij dus onophoudelijk en zonder compromis in de chaos van de Belgische politiek. Ik heb geen keuze. De verwachtingen in de familie zijn hooggespannen sinds mijn grootmoeder vol trots aan mijn oom verkondigde: “En Roelof, die komt deze zomer waarschijnlijk cum laude klaar!”

Hoe ik dát voor elkaar moet krijgen weet ik nog niet, maar ik ga de mogelijkheden onderzoeken.

Uiteraard gun ik mijzelf zo nu en dan enige ontspanning. Morgen over een week bijvoorbeeld. Dan is het weer zo ver: het Eurovisie Songfestival. Ik volg het spektakel al sinds 1996 en heb het sindsdien slechts één keer hoeven overslaan.

Mijn voorliefde voor het oh-zo foute festijn heeft overigens niet eens zozeer met mijn seksuele geaardheid te maken; het is bij ons thuis een familietraditie. En ook al woon ik allang op mezelf, ik ben ieder jaar weer van de partij.

Nu bent u van mij gewend dat ik onderwerpen van één of ander politiek belang met u doorneem. Vrees niet: dat is ook dit keer het geval. Het Songfestival heeft een aanzienlijke politieke betekenis. Dat meent althans VVD-er Jules Maaten, een politicus van een twijfelachtig allooi. Zo’n type dat je alleen in het Europees Parlement tegenkomt. Daar zit hij dan ook.

Deze harlekijn haalde een jaar geleden het nieuws door te verklaren dat hij een verband ziet tussen de matige vaderlandse Songfestivalresultaten en de volkse weerstand tegen uitbreiding van de EU.

Gut, en dan te bedenken dat ik ooit nog op die man heb gestemd… Hoe dan ook, de politieke relevantie van het onderwerp is hiermee natuurlijk meer dan voldoende aangetoond.

De woorden van Maaten waren weliswaar wat gênant voor een politicus die serieus genomen wenst te worden, hij benoemde wél iets waar veel mensen zich aan ergeren. De nieuwe Oost-Europese landen die sinds kort meedoen aan het Songfestival geven elkaar continu punten, waardoor een land als Nederland kansloos is, zo luidt de klacht.

Laten we de feiten er meteen maar eens bijpakken. Sinds 1996 wonnen slechts drie ‘nieuwe’ Oost-Europese landen: Estland, Letland en Oekraïne. De overige zeges gingen gewoon naar traditionele Songfestival-landen.

Is het dan niet waar dat Oost-Europese landen veel op elkaar stemmen? Natuurlijk wel. Maar het politiek stemmen is een fenomeen dat het festival sinds jaar en dag kenmerkt. Denk maar eens aan de Scandinavische landen. En ook België en Nederland geven elkaar in de regel heel wat punten.

Oost-Europa is simpelweg vertegenwoordigd door meer landen. En de schade valt tot nu toe als gezegd erg mee. Waar hebben we het dus over?

De slechte prestaties van Nederland de afgelopen jaren zijn vooral toe te schrijven aan de hemeltergend slechte inzendingen van onze kant. Wie artiesten van het kaliber Michelle, Re-union of Treble stuurt, kan moeilijk aanspraak maken op hogere posities.

Het festival werd de laatste jaren gewonnen door óf een aardig nummer, óf een opvallende act, óf beide. Ons land leverde in het gunstigste geval middelmatige liedjes en fantasieloze optredens af. Ziehier de verklaring voor onze lage klasseringen.

Het Songfestival heeft de wereld zelden tot nooit verblijd met echt mooie muziek. Maar daar gaat het ook helemaal niet om. Het is entertainment, volksvermaak en show, waarbij de slechte nummers vaak voor meer plezier zorgen dan de betere. Bovendien heeft het door het systeem van ‘televoting’ een verrukkelijk democratisch tintje gekregen. Weten ze in Rusland ook weer wat ze missen.

Welnu, ik mag een zwak voor de ontwapenende blijmoedigheid van Edsilia Rombley hebben; wanneer Nederland eens wil winnen, moeten we toch met iets anders komen.

Op een aardig nummer kun je niet gokken, daarvan zijn er immers wel meer. Je moet met een act komen waarover wordt gepraat. Dát is de enige garantie op een hoge positie. Israël deed het in 1998 met de transseksueel Dana International en Finland vorig jaar met de monsters van Lordi.

Daarom moeten we volgend jaar het Jostiband Orkest sturen, met Paul de Leeuw als leadzanger. Het is uit frustratie al wel eens gekscherend geroepen, maar zo’n gek idee is het helemaal niet. Het mes snijdt zelfs aan drie kanten: de muzikanten hebben de tijd van hun leven, ons land pakt door de ontroering onder de Europese bevolking heel veel stemmen en Paul de Leeuw kan de uitslagen van de Nederlandse stemming niet presenteren.

Met een beetje geluk komt er zelfs een enige morele discussie op gang of je geestelijk gehandicapten wel mag inzetten als rariteit.

En misschien, heel misschien, is er dan ook nog een bijrol voor Jules Maaten weggelegd.

Roelof Smit

Meer columns van Roelof:
» l'Embarras du choix
» Cordon sanitaire
» Huwelijkscrises
» Christelijk-sociaal
» Democratie
» De verwende kiezer
» Strategisch links
» Homopolitiek

[©GAY.NL] [Katern OPINIE] [Disclaimer | Colofon | Redactieprofiel |
Tip ons nieuw nieuws | Mail ons je mening| Word gratis lid van GAY.EU!]
[OPINIE-stukken representeren niet per se de mening van de Gay Group]